Kevers en andere ongewervelden

Het meetprogramma voor kevers en andere ongewervelden is in de eerste plaats gericht op het bepalen van de verspreiding van een zestal soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage II, IV en V). Het betreft de medicinale bloedzuiger, Europese rivierkreeft en vier soorten kevers. Voor de gestreepte waterroofkever worden ook structureel aantalsgegevens verzameld

Daarnaast vindt monitoring plaats van een aantal ‘typische soorten’. Deze soorten worden niet direct beschermd door de Habitatrichtlijn, maar gebruikt als indicator voor beschermde habitattypen. Het betreft een aantal sprinkhanen, haften, steenvliegen en schietmotten die urgent bedreigd zijn.

Organisatie:

Coördinatie: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden.
Uitvoering: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

Veldwerkmethode

De gegevensinwinning voor de twee soorten waterroofkevers bestaat uitsluitend uit gerichte inventarisaties van km-hokken binnen het actuele en potentiële verspreidingsgebied door professionals m.b.v. schepnetten en vallen. De gegevens inwinning voor het vliegend hert bestaat vrijwel uitsluitend uit losse waarnemingen, waarvan het aantal sterk vergroot wordt door oproepen via landelijke, regionale en lokale media. Vanwege de lage trefkans van de soort is gericht verspreidingsonderzoek niet efficiënt. De gegevensinwinning voor de vermiljoenkever bestaat uit gerichte inventarisaties van km-hokken binnen het actuele verspreidingsgebied en explorerende inventarisaties binnen potentieel verspreidingsgebied. De vermiljoenkever is pas in 2012 in Nederlandaangetroffen, vandaar dat het beeld op de verspreiding van de soort nog niet compleet is. Gezien het kwetsbare habitat, de specialistische levenswijze en kans op verwarring met andere houtbewonende kevers, wordt de gegevensinwinning van deze soort door professionals uitgevoerd. De gegevens voor de sprinkhanen worden op zicht en gehoor verzameld. De gegevensinwinning voor de kleine wrattenbijter wordt jaarlijks verzorgd door biologen van de Inventarisatie en Monitoringgroep van de Dienst Vastgoed Defensie. De soort is namelijk alleen te vinden op een afgesloten militair oefenterrein, de Oldebroekse heide. De gegevensinwinning van de wrattenbijter wordt verzorgd door vrijwilligers. De gegevens voor de overige typische insectensoorten bestaan vrijweluitsluitend uit losse waarnemingen. Afhankelijk van de soort kunnen de dieren het beste in het volwassen of larvale stadium geïnventariseerd worden.

Schietmotten (of kokerjuffers, zoals larvale schietmotten worden aangeduid) worden met lichtvallen gevangen (schietmotten) en/of middels schepnetmonsters (kokerjuffers). Haften (eendagsvliegen) worden als larve met het schepnet gevangen (vanwege de zeer korte levensduur van het volwassen stadium). De enige steenvlieg binnen het meetprogramma (Perlodes microcephalus) wordt geïnventariseerd door excuviae (vervellingshuidjes) te tellen op brugpeilers e.d. Voor veel haften, steenvliegen en schietmotten geldt dat de meetnetten van de waterschappen (ter bepaling van de ecologische kwaliteit ten behoeve van de kaderrichtlijn water) een belangrijke bron van verspreidingsgegevens zijn. De Europese rivierkreeft heeft een zeer beperkt voorkomen in Nederland (één vindplaats, één 10 x 10 km-hok). De populaties worden gevolgd door middel van ‘schijnrondes’ (nachtelijke tellingen met behulp van een sterke zaklamp). De gegevensinwinning voor de medicinale bloedzuiger bestaat uit gerichte inventarisaties in structuurrijk, ondiep water door professionals. Middels het opwekken van trillingen en golven worden de bloedzuigers aangetrokken. Om het vrijwilligersnetwerk uit te breiden zijn er momenteel twee veldgidsen in voorbereiding, één voor schietmotten en één voor haften, het is de bedoeling beide manuscripten in 2018 in druk te nemen. Tabel 7.12.2 geeft een overzicht van de in het meetprogramma opgenomen soorten en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwwbare aantals- en verspreidingstrends. Een beschrijving van de werkwijze per soort is te vinden in het inventarisatierapport Koese et al. 2013 op de website van EIS (zie onder Links).

Toepassingen:

Sterk sturende meetdoelen:

  • Habitatrichtlijn (HR): landelijke trends van soorten van Bijlage II en IV.
  • Habitatrichtlijn (HR): verspreiding van soorten van Bijlage II, IV en V.

Matig sturende meetdoelen:

  • Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied.
  • Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied.
  • Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  • Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten).

Niet sturende meetdoelen:

  • Convention on Biological Diversity: landelijke trends.
Kwaliteitsborging:

De standaardisatie van het veldwerk is beschreven in onderzoeksrapporten van EIS.

Gebruikersinformatie:

Het meetprogramma loopt vanaf 2004. De veldgegevens worden beheerd door EIS.
De mogelijkheden om trends in verspreiding van soorten te berekenen en publiceren worden onderzocht.

Sluit Menu