Korstmossen en mossen

Sinds 1999 is er een meetprogramma korstmossen op heiden en stuifzanden. Aanvankelijk werden vooral bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst-soorten gemonitord, maar vanaf 2011 is het belangrijkste meetdoel het volgen van typische soorten korstmossen van de Habitatrichtlijn. Ook worden nu typische soorten korstmossen in de duinen gemonitord. Op stenige substraten wordt niet meer gemonitord.
Het onderdeel mossen betreft het gedetailleerd volgen van de verspreiding van geel schorpioenmos. Met ingang van 2016 vormt ook de inwinning van verspreidingsgegevens van soorten van HR Bijlage V een meetdoel.

Organisatie:

Coördinatie: Bryologische en Lichenologische Werkgroep (BLWG).
Uitvoering: Vrijwilligers, BLWG, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van EZ.

Veldwerkmethode

Aantalsmonitoring

Sinds 1999 worden alle bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst-soorten korstmossen op heide en stuifzanden vrijwel integraal gevolgd op 84 meetpunten in 51 km-hokken. Vanaf seizoen 2011/2012 is dit meetprogramma uitgebreid met typische soorten korstmossen van de Habitatrichtlijn. Daartoe is het meetprogramma uitgebreid met een steekproef van 82 km-hokken met heiden en stuifzanden en een steekproef van 47 km-hokken in de duinen. In ieder hok worden op een of twee kansrijke locaties alle korstmossen geïnventariseerd d.m.v. een score op een eenvoudige abundantieschaal met zes ordinale klassen. Iedere locatie wordt door twee onafhankelijke waarnemers geïnventariseerd. Van de in totaal 180 km-hokken worden er jaarlijks ca. 30 onderzocht, zodat ieder hok eens in de zes jaar geïnventariseerd wordt. Voor de Rode Lijst-soorten op heiden en stuifzanden was dit tot nu toe eens in de vijf jaar. Nieuwe meetlocaties worden geen vaste meetlocaties meer, maar wel zodanig geïnventariseerd dat ze geschikt zijn voor analyse met trefkansmodellen.

De methode en veldwerkhandleiding van dit meetnet is opgenomen in de jaarlijks gepubliceerde onderzoeksrapporten die te vinden zijn op de website van de BLWG.

Verspreidingsonderzoek

De verspreiding van geel schorpioenmos, een soort van HR bijlage II, wordt eens in de drie jaar integraal gemeten (aan- of afwezigheid op het niveau van 10 x 10 meterhokken) in de gebieden waar deze soort voorkomt. Er zijn in de afgelopen jaren enkele nieuwe vindlocaties bijgekomen. In 2016 is een nieuwe meetronde geweest.
Van een andere soort van HR bijlage II, tonghaarmuts, worden ook verspreidingsgegevens verzameld, zij het zonder actieve monitoring. Met ingang van 2016 vormt ook de inwinning van verspreidingsgegevens van soorten van HR Bijlage V een meetdoel. Dit betreft de rendiermossen, de veenmossen en het kussentjesmos.

Toepassingen:

Sterk sturende meetdoelen

  • Habitatrichtlijn: landelijke trends
  • Habitatrichtlijn: verspreiding van soorten
  • Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage V

Matig sturende meetdoelen

  • Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  • Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  • Natura 2000: trends in gezamenlijke Natura 2000-gebieden
  • Habitatrichtlijn: Rode Lijst-status van typische soorten

Niet sturende meetdoelen

  • Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
  • Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  • Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  • Natuurgraadmeters, landelijke trends, trends per biotoop, etc.
Kwaliteitsborging:

De standaardisatie van het veldwerk is voorgeschreven in een veldhandleiding. Er is een geautomatiseerde controle op fouten en onwaarschijnlijke gegevens. Bij de statistische analyse van de gegevens wordt gecorrigeerd voor mogelijke vertekening als gevolg van ontbrekende tellingen.

Gebruikersinformatie:

De veldgegevens zijn alleen bij uitzondering beschikbaar. Deze worden beheerd door de BLWG in de Nationale Databank Flora en Fauna. De gegevens met de exacte ligging van de meetlocaties zijn op aanvraag beschikbaar bij de BLWG.

Een onderzoeksrapport staat op de site van BLWG

Sluit Menu