Landelijk Meetnet Flora

Landelijk Meetnet Flora

Veel plantensoorten zijn gevoelig voor vermesting, verzuring en verdroging. Veranderingen in de milieu-condities hebben daardoor duidelijke effecten op de samenstelling van de vegetatie. Het Landelijk Meetnet Flora (LMF) levert informatie over de vegetatiesamenstelling, natuurkwaliteit en biodiversiteit en daarmee ook over de milieucondities die hierop van invloed zijn. Deze informatie wordt onder andere toegepast bij de evaluatie van het Natuurpact door PBL en in het natuurbeleid van de provincies zélf. In verschillende provincies bedient het meetnet ook aanvullende provinciale doelen. Zo wordt met het LMF in een aantal provincies de ontwikkeling van de natuurkwaliteit in agrarisch gebied gevolgd en volgt Rijkswaterstaat hiermee vegetatie-ontwikkelingen in de bermen van rijkswegen. Sinds 2016 is het LMF een door de gezamenlijke provincies gedragen en gefinancierd meetprogramma. Dat heeft te maken met de decentralisatie van overheidsbeleid.

Organisatie

Coördinatie: CBS, BIJ12, provincies
Uitvoering: provincies, provinciale medewerkers of groenbureaus, CBS, RWS Dienst Verkeer en Scheepvaart
Opdrachtgevers: provincies, BIJ12

Gegevens

Uitvoering veldwerk
Sinds 1999 worden in ruim 10 000 kleine, vaste meetpunten de aanwezigheid en bedekking van alle hogere plantensoorten geïnventariseerd. Het meetnet is op basis van de destijds heersende inzichten gestratificeerd in 50 deelgebieden, bestaande uit combinaties van begroeiïngstypen, fysisch-geografische regio’s en milieukwaliteitsgebieden. Alle meetpunten werden in een cyclus van vier jaar geïnventariseerd, waarbij elk jaar een kwart van alle meetpunten aan de beurt kwam. Naar aanleiding van de veranderingen in natuurbeleid, waaronder decentralisatie, is begin 2018 gestart met een aangepaste stratificatie. Daarbij is de indeling van meetpunten in fysisch geografische regio’s en milieukwaliteitsgebieden losgelaten, maar de indeling in begroeiingstypen is verfijnd: van 5 hoofdbegroeiingstypen naar 10 ‘LMF-natuurtypen’. Deze
natuurtypen zijn daarbij ook verder onderverdeeld in gebieden met verschillende beleidsmatige beschermingsniveaus: Natura 2000-gebieden, andere natuurgebieden binnen het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en bosgebieden buiten NNN. De nieuwe stratificatie kan grotendeels met bestaande meetpunten worden ingevuld, waardoor de continuïteit vande meetreeksen grotendeels gewaarborgd is. Voor inventarisatie van agrarische gebieden (het vroegere 6e hoofdbegroeiingstype) zijn geen voorschriften of gezamenlijke landelijke afspraken meer. Iedere provincie kan dit geheel naar eigen wens al dan niet invullen of uitwerken. Een aantal provincies blijft ook hieraan nog aandacht besteden. In een deel van de provincies is de vierjarige opnamecyclus inmiddels ook ingekort tot een driejarige, om beter aan te sluiten bij de 6-jarige rapportagecyclus van de Habitatrichtlijn. Het totaal aantal meetpunten binnen het landelijk voorgeschreven deel – dus exclusief meetpunten in het agrarisch gebied wordt daarmee verminderd. Hoeveel meetpunten er in het LMF uiteindelijk overblijven is nog niet helemaal duidelijk.
Het veldwerk wordt gestandaardiseerd uitgevoerd volgens voorschriften in een handleiding (zie Links) door medewerkers van provincies zélf of medewerkers van groenbureaus in opdracht van de provincies.
Data
Met het LMF worden geen specifieke zeldzame, bedreigde of beschermde soorten gevolgd, zoals in het meetprogramma Planten (zie hoofdstuk 7.14), maar ligt de nadruk op een representatieve bemonstering van natuurtypen in natuurgebieden. Als gevolg daarvan worden vooral gegevens verzameld van de meer algemeen voorkomende plantensoorten. Per meetpunt wordt van alle aangetroffen soorten de aanwezigheid en bedekking (in klassen) genoteerd. Daarnaast worden gegevens verzameld over onder meer het beheer. In een aantal provincies worden ook mossen en korstmossen meegenomen bij de inventarisatie.
Gegevensverwerking
De gegevens worden doorgeleverd aan het CBS dat o.a. controleert of de voorschriften uit de LMF-handleiding zijn gevolgd en of de gegevens volledig en plausibel zijn. Na eventuele correctie vindt trendberekening plaats. Het gaat daarbij om trends in milieu-indicaties voor vermesting, verzuring en verdroging en om trends in andere ‘ver-thema’s’ als verbossing, verstruiking en vergrassing. Het bepalen van milieu-indicaties en vegetatiekenmerken gebeurt aan de hand van kenmerken van afzonderlijke soorten die per opname en meetpunt worden gecombineerd tot indicaties voor o.a. verzuring, vermesting, verdroging, soortenrijkdom, kenmerkende soorten, bedekking bomen, bedekking struiken en bedekking kruiden e.d.. In totaal gaat het daarbij om tientallen verschillende parameters. Analyses worden uitgevoerd per natuurtype op landelijk en provinciaal niveau en in het landelijk gebied ook voor natuurlijke landschapselementen als bermen, sloten en houtwallen. Ook analyses op het niveau van grote gebiedseenheden (bijvoorbeeld Natura 2000-gebieden) zijn mogelijk. Verder worden trends in de bedekking en presentie van veel soorten berekend.
In 2019 is bij het CBS het automatiseringssysteem voor de analyse van de gegevens vernieuwd en omgezet naar een systeem in R en JAGS. De trendanalyses kunnen daardoor met een Bayesiaanse methode worden berekend, De herziene analysemethode berekent niet langer jaarlijkse indexcijfers, maar alleen indexcijfers per meetronde van vier jaar (of drie jaar). De belangrijkste landelijke jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Daarnaast worden ook provinciale cijfers berekend en geleverd aan de betreffende provincies en aan PBL ten behoeve van de driejaarlijkse evaluatie van het Natuurpact.

Meetdoelen voor dit meetprogramma

Sterke sturende meetdoelen
Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends

Indirecte meetdoelen
Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.

Kwaliteitsborging

De standaardisatie van het veldwerk is voorgeschreven in een handleiding, de bijbehorende bijlage kunt ook downloaden. Wilt u de gedetailleerde beschrijvingen van de IPI-vegetatietypen bestuderen dan heeft u het zogenaamde “IPI-boekje" nodig. De verzamelde gegevens worden middels een geautomatiseerde controle op fouten en onwaarschijnlijke gegevens gecontroleerd. Bij de statistische analyse wordt rekening gehouden met mogelijke vertekeningen als gevolg van overbemonstering van bepaalde regio’s en dergelijke.

Gebruikersinformatie

Het meetnet is in 1999 gestart in zeven provincies. De overige vijf provincies zijn één of twee jaar later begonnen, maar Limburg heeft slechts kort meegedaan. Uit de rijksbijdrage zijn op beperkte schaal tot 2015 nog wel pq’s in Limburg geïnventariseerd om vertekening in landelijke cijfers te voorkomen. Deze rijksbijdrage (50% van de veldwerkkosten) is in 2015 echter gestopt. Het meetnet wordt sindsdien geheel gefinancierd door provincies, maar de continuïteit staat onder druk onder meer vanwege onduidelijkheid over gemeenschappelijke provinciale meetdoelen. De veldgegevens worden beheerd door het CBS. De gegevens zijn beschikbaar na toestemming van PBL en de provincies. De gegevens met de exacte ligging van de meetlocaties zijn op aanvraag beschikbaar bij CBS.

Uit de 4-jarige cycli van meetgegevens kunnen door statistische bewerking jaarcijfers worden samengesteld en langjarige trends worden berekend. Landelijke worden per begroeiingstype en – voor het agrarisch gebied – per landschapselement – resultaten gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving. Daarnaast worden ook provinciale cijfers berekend en geleverd aan de betreffende provincies. Nieuwe resultaten zijn jaarlijks in de zomer beschikbaar.