Landzoogdieren

Op deze pagina wordt de monitoring van de terrestrische zoogdieren besproken, met uitzondering van de monitoring van de vleermuizen (zie Vleermuizen). Zeezoogdieren worden (nog) niet gemonitoord middels een meetprogramma van het NEM. 

Het meetprogramma landzoogdieren bevat drie deelprogramma’s voor aantalsmonitoring en drie voor verspreidingsonderzoek.

Het programma ‘dagactieve zoogdieren’ is gericht op het volgen van de populatieomvang van algemeen voorkomende zoogdiersoorten. Daarnaast is er een programma voor konijnen in de duinen en voor de hazelmuis in Limburg.

Het verspreidingsonderzoek omvat een braakbalonderzoek, waarmee de verspreiding van een aantal (spits)muizensoorten kan worden bepaald. Daarnaast zijn er onderzoeken naar de verspreiding van otter en bever enerzijds en bunzing en boommarter anderzijds.

Buiten de programma’s van het NEM om wordt voor enkele soorten nog aanvullende informatie verzameld. Dit betreft met name das, hamster en eikelmuis. 

In het meetprogramma ligt de nadruk op soorten met een vermelding op bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn die niet buiten het NEM al worden gevolgd. Daarbij is aantalsmonitoring niet altijd mogelijk vanwege de zeldzaamheid en/of de verborgen levenswijze van de soorten. Naast de HR-soorten zijn ook typische soorten opgenomen in het meetprogramma. Met het meetprogramma worden bovendien ook gegevens verzameld voor diverse soorten zonder beleidsstatus.

Organisatie:

Coördinatie: Zoogdiervereniging (ZV).
Uitvoering: Vrijwilligers, ZV , CBS, Sovon, Zoogdiervereniging, duinbeheerders, waterschappen.
Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

Veldwerkmethode:

Aantalsmonitoring

De aantalsmonitoring is gericht op het verkrijgen van trends in aantallen van de soorten die onder de hiervoor genoemde meetdoelen vallen.

Dagactieve zoogdieren worden tegelijk met broedvogels geteld in een deel van de telgebieden van het broedvogelmeetnet (BMP) door vrijwilligers van Sovon. Dit betreft tellingen in circa tweeduizend vaste meetlocaties van circa 50-200 hectare groot, die in het voorjaar meerdere keren worden bezocht. Alleen voor konijn, haas, ree, vos, eekhoorn egel en muskusrat resulteren deze tellingen in voldoende betrouwbare aantalstrends. Voor andere soorten zijn de gegevens alleen geschikt voor het in kaart brengen van de verspreiding.

Voor konijnen zijn er tevens tellingen in de duinen, uitgevoerd door terreinbeheerders. Tijdens inspectierondes in de avonduren in voor- en najaar worden vanuit de auto op circa 250 vaste routes konijnen geteld die zichtbaar zijn in het licht van de koplampen.

Het onderzoek naar de hazelmuis betreft tellingen van de nestjes die deze dieren in de zomer en het najaar maken in de randen van structuurrijke bossen van Zuid-Limburg. Deze tellingen worden uitgevoerd door vrijwilligers van de Zoogdiervereniging in circa 50 vaste bosrand-transecten. Het gehele bekende verspreidingsgebied van deze soort wordt daarmee geïnventariseerd.

Verspreidingsonderzoek

Het verspreidingsonderzoek is gericht op het vaststellen van trends in de aan- of afwezigheid van de soorten op km-hokniveau. Het actuele leefgebied van de HR soorten dient gerapporteerd te worden op het niveau van 10 x 10 km. Het vaststellen van de afwezigheid van een soort in een 10 x 10 km-hok is alleen mogelijk wanneer een gestandaardiseerd protocol is gevolgd.

De verspreiding van (spits)muizen wordt onderzocht met behulp van braakballen van uilen. Daarbij wordt vooral gebruik gemaakt van braakballen van kerkuilen, omdat deze in het gehele land voorkomen en geen duidelijke voorkeur vertonen voor (spits)muizensoorten. Braakballen worden op een groot aantal locaties in het land verzameld, waarna vrijwilligers van de Zoogdiervereniging deze pluizen en de in de braakballen aanwezige schedelresten tot op soort determineren.

De verspreiding van otter en bever wordt onderzocht door vrijwilligers van de otter- en beverwerkgroep CaLutra in samenwerking met de waterschappen. Medewerkers van waterschappen geven eens per jaar de actuele verspreiding van de bever door aan de Zoogdiervereniging, evenals meldingen als er voor het eerst in een gebied sporen van otter worden aangetroffen. Waarnemers van CaLutra onderzoeken vervolgens de locatie nader op de aanwezigheid van de otter of sporen die daarop duiden (uitwerpselen e.d.).

De verspreiding van bunzing en boommarter wordt vanaf 2016 onderzocht met behulp van cameravallen. De cameravallen worden steeds een aantal weken op potentieel voor deze soorten geschikte locaties geplaatst. Dankzij sensoren worden automatisch foto’s gemaakt van passerende dieren, niet alleen van bunzing en boommarter, maar ook van andere soorten. Ook losse waarnemingen via waarneming.nl, telmee.nl, het meetprogramma dagactieve zoogdieren en andere data-bronnen worden gebruikt bij het bepalen van de verspreiding van deze soorten. Kaarten van de voortgang van het verspreidingsonderzoek van de HR-soorten zijn aan het einde van dit hoofdstuk opgenomen.

Nadere informatie over de veldwerkmethoden is te vinden in veldwerkhandleidingen.

Toepassingen:

Sterk sturende meetdoelen:

  • Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage II, IV en V.
  • Habitatrichtlijn: verspreiding van soorten van Bijlage II, IV en V.

Matig sturende meetdoelen:

  • Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied.
  • Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied.
  • Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  • Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten).
  • Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten.

Niet sturende meetdoelen:

  • Convention on Biological Diversity: landelijke trends.
  • Schadesoorten: landelijke trends.
  • Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen.
  • Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. 
  • Invasieve exoten: landelijke trends.
  • General Surveillance van ggo's: regionale trends.
Kwaliteitsborging:

Bij de verwerking van de gegevens wordt gecontroleerd op consistentie, volledigheid, betrouwbaarheid en mogelijke vertekening. Bij de dagactieve zoogdieren wordt gecorrigeerd voor mogelijke vertekening als gevolg van over- of onderbemonstering van bepaalde fysisch geografische regio’s.

Gebruikersinformatie:

Aantalsgegevens worden jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort berekend worden met behulp van het statistisch programma TRIM. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Trendgegevens van de dagactieve zoogdieren zijn beschikbaar vanaf 1994 (vos, ree, egel, muskusrat), 1996 (eekhoorn), 1997 (haas en konijn). Voor de duinkonijnen zijn er trends vanaf 1984 en voor de hazelmuis vanaf 1992.

Het verspreidingsonderzoek is gericht op het vaststellen van trends in de aan- of afwezigheid van de soorten op km-hokniveau. Tevens worden de inventarisatiegegevens van de HR bijlage II & IV-soorten verwerkt tot verspreidingskaarten per HR-verslagperiode op 10 x 10 km-hokniveau. Verspreidingstrends worden veelal berekend met behulp van o.a. occupancy-modellen. Verspreidingstrends van 11 muizensoorten, waaronder de Noordse woelmuis, zijn beschikbaar vanaf 1995. Verspreidingstrends van otter en bever zijn beschikbaar vanaf 2003 respectievelijk 1993. Voor bunzing en boommarter zijn nog geen verspreidingstrends beschikbaar.

Alle meetprogramma’s voor aantalsmonitoring verlopen zonder noemenswaardige knelpunten. De meetprogramma’s bevatten voldoende meetpunten om landelijk betrouwbare aantalstrends te leveren van acht soorten landzoogdieren. Dit betreft in de eerste plaats hazelmuis, maar ook konijn, haas, vos, ree, eekhoorn en egel en muskusrat, die allen meeliften met de broedvogelmonitoring in het meetprogramma dagactieve zoogdieren.

Naast landelijk betrouwbare trends zijn diverse betrouwbare trends beschikbaar op een gedetailleerder niveau, waaronder trends per provincie en voor de konijnen ook per duingebied.

Verspreidingsonderzoek

Bij de meetprogramma’s voor verspreidingsonderzoek levert het braakbalonderzoek betrouwbare landelijke trends op voor 11 soorten (spits)muizen, waaronder de HR-soort Noordse woelmuis. Naast deze soort kunnen ook trends berekend worden voor dwergmuis, waterspitsmuis, bosspitsmuis (spec.), dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, aardmuis, ondergrondse woelmuis, rosse woelmuis en bosmuis. Voor otter en bever kunnen eveneens landelijk betrouwbare verspreidingstrends worden berekend. Voor bunzing en boommarter is het meetprogramma in 2016 gestart. Daardoor zijn nog geen trends voor deze soorten mogelijk. In 2016 en 2017 zijn 76 respectievelijk 80 uurhokken (5 x 5 km) onderzocht op het voorkomen van deze soorten. In ca 20%, respectievelijk ca 30% van deze hokken is de betreffende soort daadwerkelijk aangetroffen.

Voor bever en hazelmuis is het potentiele leefgebied de afgelopen 6 jaar compleet onderzocht. Voor Noordse woelmuis en otter is dit slechts voor 65% respectievelijk 58% gelukt. Knelpunt bij de otters is dat zij zeer mobiel zijn en gemakkelijk op veel plekken buiten bekend leefgebied kunnen verschijnen, maar dat de aan- en afwezigheid aldaar moeilijk vastgesteld kan worden vanwege de verborgen levenswijze en weinige sporen. De Noordse woelmuis is eveneens een lastig te inventariseren soort. In het braakbalonderzoek wordt deze soort relatief weinig aangetroffen, waardoor daarmee alleen landelijke trendberekening mogelijk is. Voor verspreiding en trends in Natura 2000-gebieden is gericht aanvullend onderzoek aan te bevelen, bijv. met de eDNA-methodiek waarop volgens een vast protocol woelmuiskeutels worden gezocht in voor deze soort aangewezen Natura 2000-gebieden.

Ondanks dat voor bever en Noordse woelmuis Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden daarvoor (nog) geen trends per gebied bepaald. Van enkele zoogdieren zijn ook nog geen goede schattingen van landelijke trends in verspreiding of aantal voorhanden om de Rode Lijst-status te bepalen. Dit geldt met name voor de (kleine) marterachtigen, omdat daarvoor nog geen goede (wetenschappelijk verantwoorde) monitoringsmethodiek bekend is.

Sluit Menu