Libellen

Bij libellen zijn er twee meetprogramma’s: één voor aantalsmonitoring en één voor verspreidingsonderzoek.

Organisatie:

Coördinatie: De Vlinderstichting.
Uitvoering: Vrijwilligers, De Vlinderstichting, CBS, terreinbeherende organisaties.
Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

Veldwerkmethode

Aantalsmonitoring

In het meetonderdeel aantalsmonitoring worden alle in ons land voorkomende libellensoorten geteld. Op vaste routes van gemiddeld 250 meter lang wordt elk jaar op dezelfde manier het aantal individuen van elke soort geteld. Gedurende het hele seizoen tussen 1 mei en 1 oktober wordt in principe om de twee weken of vaker genoteerd welke soorten er voorkomen en in welke aantallen. Daarnaast zijn er routes gericht op één soort, met alleen tellingen in de hoofdvliegtijd van die soort. Voor algemene tot schaarse soorten zijn de routes een steekproef; voor de meer zeldzame soorten wordt in principe op alle locaties waar de soort voorkomt een telroute uitgezet. De gaffellibel wordt middels een aangepaste methode gevolgd. De rivierrombout wordt vanaf 2014 middels een aangepaste methode gevolgd in de meest kansrijke hokken. De veldwerkhandleiding is te vinden op de website van het NEM (zie onder Links). Op vaste routes van gemiddeld 250 meter, worden alle soorten libellen vastgelegd. Voorheen werden alleen langs de eerste 100 meter van de route alle soorten geteld, en daarna alleen de ‘grote libellen’ (dit zijn de beekjuffers en de echte libellen (Anisoptera) minus de heidelibellen). In 2017 is een nieuwe methode ingevoerd, waarbij langs de gehele route alle soorten worden geteld. Deze methode sluit aan bij de methodiek van de dagvlinders. Ze wordt zowel toegepast op alle routes die vanaf 2017 nieuw worden uitgezet als op al bestaande routes waarvan de tellers willen overstappen naar de nieuwe methode. Voor de meer algemene soorten blijkt het meetnet aantalsmonitoring niet voldoende routes te hebben om representatieve landelijke populatietrends te berekenen. Verspreidingsgegevens (zie hieronder) maken het mogelijk om toch een trend van deze soorten te berekenen, zij het dat het dan om een trend in verspreiding gaat, d.w.z. in het aantal bezette 1 x 1 km-hokken.

Verspreidingsonderzoek

Het verspreidingsonderzoek is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende HR II & IV-soorten op 10 x 10 km-hokniveau. Het doel is om in de zesjaarlijkse HR-rapportageperiode alle hokken van het gezamenlijke actuele en potentiële verspreidingsgebied te inventariseren. Ook in 2017 is extra inspanning verricht om het beeld voor een aantal soorten die voorkomen in kwetsbare of ontoegankelijke gebieden (noordse winterjuffer, donkere waterjuffer, speerwaterjuffer, gevlekte witsnuitlibel en hoogveenglanslibel) compleet te krijgen. Daarnaast wordt het verspreidingsonderzoek gebruikt om de landelijke trend van 19 typische soorten te volgen. Omdat de gegevens uit 2012 niet meer konden worden meegenomen bij de HR-rapportage 2007–2012 (zie hoofdstuk 6), geldt 2012 als het eerste jaar van de nieuwe rapportageperiode. Daarnaast is er een meetdoel voor de trend in verspreiding van soorten op 5 x 5 kmhokniveau. Het doel daarvan is om de Rode Lijst-status van soorten te kunnen actualiseren, met bijzondere aandacht voor de urgent bedreigde typische soorten. Plus er is een afgeleid meetdoel, namelijk trends in aantal bezette 1 x 1 km-hokken voor een aantal soorten. Veel gegevens over libellen worden verzameld buiten het NEM zonder gebruik van een vast meetprotocol, in de vorm van soortenlijsten of losse tellingen van één soort. Bij de noordse winterjuffer is gekozen om alleen de verspreiding in potentieel voortplantingsgebied in kaart te brengen. Onderzoek in hokken met waarnemingen van zwervende en overwinterende dieren wordt niet zinvol geacht. De gegevens van HR-soorten worden verwerkt tot verspreidingskaarten op 10 x 10 kmhokniveau. Voor het bepalen van de actuele verspreiding en de trend daarin, worden zogenaamde occupancy-modellen routinematig toegepast. Deze modellen zijn tevens bruikbaar om te onderzoeken of bepaalde hokken voldoende zijn onderzocht om een soort te vinden als die er zit. Daartoe worden zogenaamde lacunekaarten per soort gemaakt.

Zie ook de veldhandleiding en onderzoeksbeschrijving.

Toepassingen:

Sterk sturende meetdoelen

  • Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends
  • Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten
  • Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends

Matig sturende meetdoelen

  • Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  • Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  • Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  • Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  • Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten

Niet sturende meetdoelen

  • Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  • Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  • Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  • Stadsnatuur: landelijke trends
Kwaliteitsborging:

De standaardisatie van het veldwerk is voorgeschreven in een veldhandleiding. Er is een geautomatiseerde controle op fouten en onwaarschijnlijke gegevens. Bij de statistische analyse wordt gecorrigeerd voor mogelijke vertekeningen als gevolg van ontbrekende tellingen en dergelijke.

Gebruikersinformatie:

Het meetnet loopt vanaf 1998. Voor een aantal soorten zijn kortere tijdreeksen beschikbaar wegens gebrek aan gegevens. De veldgegevens worden beheerd door De Vlinderstichting. De gegevens met de exacte ligging van de meetlocaties zijn op aanvraag beschikbaar bij De Vlinderstichting.

De nieuwste resultaten komen elk jaar in de nazomer beschikbaar. Natuurgraadmeters en trends met toelichting zijn voorhanden in het Compendium voor de Leefomgeving en onder de knop Dataloket.

Sluit Menu