Reptielen

Het meetprogramma voor reptielen volgt alle zeven inheemse reptielensoorten van ons land. Zowel de omvang van de populaties als de verspreiding van de soorten kunnen goed in kaart worden gebracht.

Organisatie:

Coördinatie: RAVON.
Uitvoering: Vrijwilligers, RAVON, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van EZ.

Veldwerkmethode

De prioriteit van het meetprogramma ligt bij het volgen van de reptielen die op bijlage IV van de habitatrichtlijn vermeld worden: gladde slang, muurhagedis en zandhagedis. De verzamelde gegevens kunnen echter ook goed gebruikt worden voor andere meetdoelen. Om die reden en vanwege de haalbaarheid van het tellen van de soorten, zijn adder, hazelworm en levendbarende hagedis opgenomen in het meetprogramma. Voor de ringslang, ook een inheems reptiel, zijn er geen sturende meetdoelen, maar voor deze soort kan met een geringe extra inspanning toch zowel een betrouwbare landelijke aantalstrend als verspreidingstrend berekend worden.
Voor het bepalen van de landelijke aantalstrends worden vaste meetlocaties van enige ha zeven maal per jaar geïnventariseerd op alle voorkomende soorten. Voor zes soorten gaat het om een steekproef van enige honderden meetlocaties uit hun leefgebieden (vooral duinen en heide). De uitzondering is de muurhagedis, de enige natuurlijke populatie van deze soort komt voor in Maastricht. In principe wordt de muurhagedis op alle locaties in Maastricht gevolgd. Trends in aantallen en indexcijfers worden berekend met het statistisch programma TRIM.

De gerichte gegevensinwinning voor het bepalen van de landelijke verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau bestaat uit inventarisaties van km-hokken door vrijwilligers binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken, vrijwilligers volgen hierbij een gestandaardiseerd protocol. De inventarisatiemethode verschilt per soort en is gericht op het vaststellen van de aan- of afwezigheid van de soort op km-hokniveau. Hierdoor kan ook op gedetailleerder schaal dan 10 x 10 km naar verspreiding worden gekeken. De verspreiding van de muurhagedis wordt bij het tellen van de locaties in Maastricht al volledig in kaart gebracht. De inventarisatiegegevens worden aangevuld met gegevens die verzameld zijn voor het bepalen van de landelijke aantalstrend en losse waarnemingen.
Trends in verspreiding op 1 x 1 km-hokniveau worden berekend met de gegevens uit de Nationale Database Flora en Fauna. Bij de berekeningen wordt gebruik gemaakt van occupancy-modellen.
Nadere informatie over de veldwerkmethode is te vinden in de veldwerkhandleiding. Deze handleiding kunt u vinden op de NEM-website en de website van RAVON (zie Links).

De gerichte gegevensinwinning voor het bepalen van de landelijke verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau bestaat uit inventarisaties van km-hokken door vrijwilligers binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken, vrijwilligers volgen hierbij een gestandaardiseerd protocol. De inventarisatiemethode verschilt per soort en is gericht op het vaststellen van de aan- of afwezigheid van de soort op km-hokniveau. Hierdoor kan ook op gedetailleerder schaal dan 10 x 10 km naar verspreiding worden gekeken. De verspreiding van de muurhagedis wordt bij het tellen van de locaties in Maastricht al volledig in kaart gebracht. De inventarisatiegegevens worden aangevuld met gegevens die verzameld zijn voor het bepalen van de landelijke aantalstrend en losse waarnemingen.
Trends in verspreiding op 1 x 1 km-hokniveau worden berekend met de gegevens uit de Nationale Database Flora en Fauna. Bij de berekeningen wordt gebruik gemaakt van occupancy-modellen.
Nadere informatie over de veldwerkmethode is te vinden in de veldwerkhandleiding. Deze handleiding kunt u vinden op de NEM-website en de website van RAVON (zie Links).

Zie ook de  veldwerkhandleiding en de onderzoeksbeschrijving.

Toepassingen:

Sterk sturende meetdoelen:

  • Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage II en IV.
  • Habitatrichtlijn: verspreiding van soorten van Bijlage II, IV en V.

Matig sturende meetdoelen:

  • Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten).
  • Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten.

Niet sturende meetdoelen:

  • Convention on Biological Diversity: landelijke trends.
  • Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen.
  • Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  • Invasieve exoten: landelijke trends.
Kwaliteitsborging:

De standaardisatie van het veldwerk is voorgeschreven in een veldhandleiding. Er is een geautomatiseerde controle op fouten en onwaarschijnlijke gegevens. Bij de statistische analyse wordt gecorrigeerd voor mogelijke vertekeningen als gevolg van ontbrekende tellingen, overbemonstering van bepaalde regio’s en dergelijke.

Gebruikersinformatie:

Het meetnet loopt vanaf 1994. Vanaf dat jaar zijn van 6 soorten reptielen resultaten beschikbaar, voor de muurhagedis zijn de resultaten beschikbaar vanaf 1995. De veldgegevens worden beheerd door RAVON. De gegevens met de exacte ligging van de meetlocaties zijn op aanvraag beschikbaar bij RAVON.

De nieuwste resultaten zijn elk jaar aan het begin van de zomer beschikbaar. Natuurgraadmeters en trends per soort met toelichting zijn voorhanden in het Compendium voor de Leefomgeving en op deze website, onder de knop dataloket.

Sluit Menu