Vleermuizen

Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten hebben een beschermde status omdat zij vermeld worden in bijlage II en/of IV van de Europese Habitatrichtlijn. Vanwege
hun verborgen levenswijze is het een lastig te volgen groep van soorten. Binnen het meetprogramma vleermuizen, bestaande uit drie meetonderdelen, worden voor twaalf van de zeventien in Nederland voorkomende soorten trends in aantal bepaald. Zeven soorten worden gevolgd middels tellingen in winterslaap-verblijven (Wintertellingen Vleermuizen). Twee soorten worden gevolgd met tellingen in zomerverblijven (Zoldertellingen Vleermuizen) en vier soorten worden gevolgd middels het meetonderdeel VleermuisTransecttellingen.

Uitsluitend op verspreiding gericht onderzoek van vleermuizen vindt binnen het NEM niet plaats, maar binnen de lopende meetonderdelen voor aantalsmonitoring is het verzamelen van verspreidingsinformatie wel één van de doelen. Dit levert aanvullende verspreidingsgegevens op, óók voor andere soorten en aanvullende locaties. Daarnaast dragen ook waarnemingen van vleermuizen uit andere bronnen dan het NEM-meetprogramma bij aan de kennis over verspreiding. Dit betreft onder meer uitvliegtellingen, onderzoek naar vliegroutes, zwerm- en trekgedrag en incidentele waarnemingen.

Voor alle deelprogramma’s geldt:

Coördinatie: Zoogdiervereniging (ZV).
Uitvoering: Vrijwilligers, ZV, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen

  • Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten
  • Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten

Matig sturende meetdoelen

  • Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  • Natura 2000: trends voor de gezamenlijke Natura 2000-gebieden
  • Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  • Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten

Indirecte meetdoelen

  • Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  • Eurobats: landelijke trend
  • Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  • Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  • Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  • Stadsnatuur: landelijke trends

Wintertellingen Vleermuizen:

Voor mensen toegankelijke winterverblijfplaatsen van vleermuizen zoals mergelgroeven, kelders, bunkers en forten worden in de winter eenmalig bezocht, waarbij de aangetroffen
soorten worden gedetermineerd en geteld. Met deze telling is de trend in aantal te volgen van de zeven soorten die voornamelijk in dergelijke verblijven hun winterslaap houden.
Soorten die voornamelijk in lastig te tellen en ontoegankelijke verblijfplaatsen overwinteren (boomholten en spouwmuren e.d.), worden in dit meetprogramma onvoldoende aangetroffen om daarvan de trends in aantal te kunnen volgen.

Zoldertellingen Vleermuizen:

De grijze grootoorvleermuis en de ingekorven vleermuis zijn zeldzame soorten die alleen in de drie zuidelijke provincies voorkomen. In de zomer hebben ze een voorkeur voor verblijven op zolders van kerken, kloosters en vergelijkbare gebouwen. Door jaarlijkse tellingen op deze zolders én op locaties waar deze soorten nieuw verschijnen is de trend van de grijze grootoorvleermuis en de ingekorven vleermuis te volgen. Daarnaast worden in het hele land ieder jaar veel (andere) kerkzolders onderzocht op het voorkomen van vleermuizen om voor alle soorten verspreidingsinformatie te verzamelen en om eventuele uitbreiding van het verspreidingsgebied van grijze grootoorvleermuis en ingekorven vleermuis te kunnen detecteren.

Vleermuis Transecttellingen:

Van vier algemene soorten waarvan aantalstrends niet via de hiervoor beschreven tellingen in winterverblijven of (kerk)zolders kunnen worden verkregen, wordt de aantalsontwikkeling gevolgd door met batdetectoren vleermuisgeluiden op te nemen tijdens het rijden van vaste routes (per auto; voornamelijk in niet-stedelijk gebied).
De geluidsopnamen worden gemaakt met een volautomatische batdetector, die tevens gps-coördinaten van de opnamen vastlegt. Met de geluidskarakteristieken van de opnames kunnen de soorten worden gedetermineerd en het aantal opnamen van een soort per gereden route binnen een kilometerhok is indicatief voor de populatiegrootte ter plekke. De locatiegegevens van de opnamen geven tevens informatie over de verspreiding van soorten.

Nadere informatie over de veldwerkmethoden is te vinden in veldwerkhandleidingen (zie Links).

Gegevensverwerking
Bij de verwerking van de gegevens wordt gecontroleerd op consistentie van de gegevens, volledigheid, betrouwbaarheid, representativiteit en mogelijke vertekening daardoor.
Aantalsgegevens worden jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort in de meeste gevallen berekend worden met behulp van het statistisch programma R en specifiek het R-package 'rtrim'. Op beperkte schaal wordt ook met trefkansmodellen gewerkt. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Trendgegevens van de wintertellingen zijn beschikbaar vanaf 1986 en van de zoldertellingen vanaf 1984. Het project Vleermuis Transecttellingen is gestart in 2013, maar 2015 wordt aangehouden als eerste jaar voor de analyses, vooral omdat er in 2013 en 2014 nog niet genoeg transecten werden gereden om representatief voor Nederland te kunnen zijn. Dit onderdeel leverde in 2020 voor het eerst de standaardoutput van de aantalstrendgegevens.

Soorten
Binnen het beschikbare meetprogramma kunnen niet alle Nederlandse vleermuissoorten worden gevolgd. De grote en kleine hoefijzerneus en de mopsvleermuis gelden als uitgestorven in Nederland, hoewel die laatste soort in de zomer van 2017 is waargenomen in Zeeuws Vlaanderen. Vijf andere soorten: Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, kleine dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis zijn zeldzaam in Nederland of zo lastig herkenbaar dat daardoor er geen geschikte methode is om aantalsontwikkeling of verspreiding ervan te kunnen volgen.

Natura 2000-gebieden

Voor de meervleermuis, vale vleermuis en ingekorven vleermuis geldt dat Natura 2000-gebieden zijn aangewezen ter bescherming daarvan. Bij de meervleermuis betreft dit vooral Natura 2000-gebieden met een foerageerfunctie, en voor de ingekorven vleermuis is één Natura 2000-gebied aangewezen vanwege de functie als kraamverblijf (‘Abdij Lilbosch & voormalig klooster Maria-hoop’). Daarnaast zijn er een aantal Natura 2000-gebieden met o.a. mergelgroeven aangewezen vanwege de functie als winterverblijf. De aangewezen gebieden voor de vale vleermuis betreffen alleen groeves met een functie als winterverblijf. Een overzicht van de voor vleermuizen aangewezen Natura 2000-gebieden en de kwaliteit
van de monitoring is aangegeven in tabel 7.1.3 van het kwaliteitsrapport. De kwaliteit van de resultaten is beoordeeld op basis van de beschikbaarheid van telgegevens in de laatste 3 jaar en de mogelijkheid om met de beschikbare gegevens betrouwbare langjarige trends te berekenen.

Voortgang 2020:

De pandemie veroorzaakt door het virus SARS-CoV-2, die in 2020 woedde, heeft vooralsnog nauwelijks invloed gehad op de tellingen binnen de verschillende meetonderdelen.

 
Aantalsmonitoring

De meetprogramma’s voor aantalsmonitoring bevatten voldoende meetpunten om landelijk betrouwbare aantalstrends op te leveren voor twaalf soorten. Ook zijn er veel betrouwbare trendcijfers beschikbaar op gedetailleerder niveau, waaronder trends per provincie en trends per Natura 2000-gebied, hoewel niet alle gebieden even goed gerepresenteerd zijn in elk meetprogramma. Bij de wintertellingen is het niet kunnen tellen van afgekeurde groeven met een slechte bouwkundige staat een al langer bestaand probleem. De Mijnbouwwet verbiedt het betreden van groeven ten behoeve van vleermuistellingen wanneer deze zijn afgekeurd vanwege een te slechte bouwkundige staat. In twee van de vier Natura 2000-gebieden met groeven in Limburg zijn daardoor geen of slechts enkele groeven waar geteld kan worden. Trendbepaling per gebied is in deze Natura 2000-gebieden daardoor ook niet of nauwelijks meer mogelijk (landelijke en provinciale trendberekeningen nog wél). Er zijn tot nu toe geen kosteneffectieve alternatieven voor deze tellingen, hoewel er vooronderzoek plaatsvindt aan het vangen van zwermende vleermuizen net buiten de groeven met behulp van mistnetten, om de verhouding van soorten ten opzichte van de overwinterende populaties te bepalen. Het goede nieuws is dat de provincie Limburg de afgelopen jaren een aantalafgekeurde groeves in het gebied Bemelerberg & Schiepersberg weer heeft verbeterd en dat de tellingen in deze groeves weer zijn opgestart. Voor het gebied Savelsbos blijft dit probleem echter bestaan. En mocht de aanbesteding van de keuring van groeves op Europees niveau gebeuren, zodat ook buitenlandse partijen meedingen, dan loopt dit proces mogelijk vertraging op.

Voor de zoldertellingen van de zeldzame ingekorven vleermuis geldt dat de representativiteit van de telpunten en tellingen een blijvend punt van aandacht is. Aangezien
het dier zeldzaam is en geclusterd in slechts enkele verblijven voorkomt, dienen die zoveel mogelijk allemaal te worden geteld. Maar omdat de ingekorven vleermuis de laatste jaren ook is aangetroffen in andere, voorheen soms onbekende verblijven, is het mogelijk dat verblijven gemist worden en/of niet worden geteld binnen de voorgeschreven telperiode. Na overleg is in 2018 de trendberekening aangepast aan deze ‘ontclustering’, maar daarbij was het nog niet mogelijk om goede totaalschattingen van de getelde populatie te maken. Die verbeterde totaalschattingen zullen nog worden doorgevoerd in het inmiddels in gebruik genomen reken- en verwerkingssysteem RSwan. Voor de transecttellingen geldt dat de gegevensverzameling nog altijd kort is (2013–2019; trendberekening 2015–2019). Zowel voor aantalstrends als voor verspreidingstrends zijn
geschikte methoden gevonden en grotendeels doorgevoerd, maar de volledige automatisering van de gegevensverwerking en de statistische modellen voor de verspreidingstrends zijn nog steeds in ontwikkeling. Eerder kon er geen definitief besluit worden genomen over enkele details van de gegevensverwerking en kon de trendberekening nog niet volledig worden geautomatiseerd, maar in 2020 is een groot deel van de voorheen ontbrekende gegevens verkregen en de verwachting is dat de
automatisering in 2021 zal worden afgerond, zodat reguliere jaarlijkse berekening van trends en indexen kan plaatsvinden.

Met gegevens van uitvliegtellingen van de meervleermuis zijn zomertrend-berekeningen uitgevoerd. De zomertrends van deze soort wijken enigszins af van de wintertrends, maar
zijn wél op basis van voldoende meetpunten en meetjaren. Er wordt naar gestreefd om deze tellingen binnen het reguliere vleermuizen-meetprogramma op te nemen en daarbij gebruik te maken van het bestaande en daarop aangepaste portal van de zoldertellingen. De verwachting is dat dit in 2021 een echt NEM-meetprogramma gaat worden.
Er zijn in totaal 18 Natura 2000-gebieden met een foerageerfunctie aangewezen voor de meervleermuis, maar vooralsnog heeft monitoring in deze context nog niet plaatsgevonden op reguliere basis. Er zijn inmiddels wel pilots uitgevoerd om te bepalen welke methode en hoeveel meetpunten nodig zijn om in de toekomst de meetdoelen m.b.t. trends in Natura 2000-gebieden te kunnen halen. Het verdient aanbeveling om de methode van monitoring in alle gebieden zoveel mogelijk gelijk te trekken, opdat ook een landelijke trend zonder grote problemen kan worden bepaald. Voor de wintertellingen, zoldertellingen en transecttellingen is een invoerportal beschikbaar. Bij de transecttellingen was het portal opgezet als een eenvoudig ‘upload’ portal en is gaandeweg de ontwikkeling van het meetprogramma niet voldoende geschikt gebleken om de gewenste meta-data (zoals GPX-gegevens van de gereden routes) te kunnen leveren en efficiënt de validatie van ingevoerde gegevens te ondersteunen. Ook wordt het gerealiseerde internetforum, waar deelnemers elkaar kunnen helpen met o.a. determinaties, erg weinig gebruikt. En omdat het meetprogramma van de uitbreidingsfase naar de consolidatiefase is overgegaan leven er andere wensen onder de deelnemers. Daarnaast bleek het upload-portal te verouderd te zijn om nog te kunnen beheren. Daarom wordt het portal herbouwd om aan bovenstaande drie voorwaarden te kunnen voldoen. Het nieuwe invoerportaal voor de transecttellingen zal naar verwachting in 2021 worden afgerond.