Watervogels

In het meetprogramma voor watervogels worden doortrekkende en overwinterende watervogels gevolgd in alle belangrijke waterrijke gebieden, inclusief de Waddenzee en de Noordzee. Ganzen en zwanen worden daarnaast ook gevolgd in ganzengebieden (pleisterplaatsen, voornamelijk in agrarisch gebied). Op de Noordzee foeragerende vogels worden geteld vanuit vliegtuigen en langstrekkende vogels in de kustzone worden geteld vanaf trektelposten langs de kust. Er wordt niet gestuurd op het inwinnen van verspreidingsgegevens. Bovendien ontstaat door de uitgebreidheid van het meetprogramma op land een goed beeld van de verspreiding van veel soorten.

Organisatie:

Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.
Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS, Rijkswaterstaat, terreinbeheerders, provincies,
Nederlandse Zeevogelgroep, Trektellen.nl, ecologische adviesbureaus.
Opdrachtgever: Ministerie van LNV, Rijkswaterstaat WVL.

Gegevens
Niet-broedende watervogels zijn doorgaans erg mobiel omdat zij niet aan een nestlocatie gebonden zijn. Bij verslechterende omstandigheden verplaatsen zij zich snel naar andere gebieden. Hierdoor kunnen de aantallen in een gebied gedurende het seizoen en zelfs binnen enkele dagen sterk veranderen. Een andere factor die voor veel variatie in watervogelaantallen zorgt is het sterke clustergedrag van veel soorten (groepen van duizenden individuen zijn geen uitzondering). Ten slotte veroorzaakt het trekgedrag van veel watervogels sterke seizoenspatronen. Deze grote variatie in ruimte en tijd kan voor vertekeningen in de resultaten zorgen. In niet-mariene gebieden wordt de kans op dergelijke vertekeningen sterk verkleind door een opzet waarin alle belangrijke gebieden op vaste teldatums maandelijks gedurende het gehele jaar geteld worden. Voor veel soorten, met name de soorten die sterk geconcentreerd voorkomen in de belangrijkste wetlands, benaderen de tellingen daardoor een totaaltelling. Op de open Noordzee is dit niet haalbaar en wordt gebruik gemaakt van een steekproefsgewijze opzet.
 
Het meetprogramma beschikt voor veel soorten over gegevens vanaf 1975 en bestaat uit de volgende onderdelen:
 
  1. Integrale maandelijkse tellingen van alle soorten watervogels in alle belangrijke waterrijke gebieden, waaronder de Rijkswateren en de Natura 2000-/Ramsar-gebieden.
    In totaal gaat het om 93 zogenaamde monitoringgebieden, waarvan er 65 Natura 2000-gebied zijn. De tellingen vinden plaats van september–april, maar in een
    aantal gebieden van juli–juni. In het Waddengebied vindt elk jaar in vijf maanden (vier vaste en één jaarlijks wisselende maand) een gebiedsdekkende telling plaats en daarnaast zijn er maandelijkse tellingen in steekproefgebieden. Door een opzet met vaste, duidelijk begrensde telgebieden en vaste teldatums worden dubbeltellingen zoveel mogelijk voorkomen. Het veldwerk wordt overdag uitgevoerd, op het moment waarop watervogels zich veelal in de foerageergebieden ophouden. Langs de kust wordt geteld rond het tijdstip van hoogwater, wanneer de vogels zich verzamelen op de hoogste delen, de zogenaamde hoogwatervluchtplaatsen. Tijdens een telling worden alle watervogels geteld alsmede aan wetlands gebonden roof- en zangvogels. De veldwerkhandleiding en een onderzoeksbeschrijving zijn te vinden op deze website
    en die van Sovon (zie Links). In een aantal gebieden worden de tellingen niet uitgevoerd door vrijwilligers van Sovon, maar door terreinbeheerders (met name van
    Rijkswaterstaat) of in een enkel geval door een provincie (Randmeren en Haringvliet, waar boottellingen worden uitgevoerd door de provincies Flevoland en Zuid-Holland). Vrijwel alle tellingen worden online of via de mobiele app ingevoerd op het watervogelportal van Sovon.
  2. Tijdens maandelijkse tellingen (september–april + extra soortspecifieke maanden) worden pleisterplaatsen van ganzen en zwanen geteld in 84 zogenaamde aanvullendeganzengebieden. Samen met de 93 monitoringgebieden worden de ganzen en zwanen daarmee gevolgd in 177 gebieden. De teldata in de aanvullende ganzengebieden vallen samen met de tellingen in de monitoringgebieden en staan beschreven in de gezamenlijke handleiding (zie boven).
  3. Tijdens de telling in januari worden zoveel mogelijk wateren in heel Nederland geteld (midwintertelling) ten behoeve van de International Waterbird Census.
  4. Eiders en zwarte zee-eenden in de Waddenzee en langs de Noordzeekust worden twee keer per jaar geteld in november en januari vanuit een vliegtuig, in vier zogenaamde zeeeendgebieden.
  5. Het open water van het IJsselmeer wordt door Rijkswaterstaat geteld vanuit een vliegtuig. Deze tellingen worden maandelijks volgens een vaste vliegroute uitgevoerd, maar zijn niet vlakdekkend.
  6. Enkele soorten die niet goed met de tellingen van monitoringgebieden gevolgd kunnen worden (grutto, kemphaan, kraanvogel, reuzenstern, zwarte stern), worden geheel of gedeeltelijk geteld op slaapplaatsen (zie ook de pagina over slaapplaatsen onder Meetnetten).
  7. Een aantal zeevogelsoorten wordt door vrijwilligers geteld op trektelposten langs de kust. Er vindt geen sturing plaats op de tijdstippen en telposten waar geteld moet worden, maar de teldekking is hoog en de registratie van tellingen en telomstandigheden is sterk gestandaardiseerd. De telgegevens worden via Trektellen.nl geleverd aan Sovon.
  8. Zeevogels worden in opdracht van Rijkswaterstaat geteld vanuit een vliegtuig door een ecologisch adviesbureau. In de kustzone wordt zes keer per jaar geteld, in de maanden augustus, november, januari, februari, april en juni. Op open zee wordt vier keer geteld (augustus, november, januari en februari). Er wordt een vaste vliegroute gevolgd over het hele Nederlands Continentaal Plat, maar de telling beslaat vanwege de grote oppervlakte van de Noordzee slecht een klein deel van de populaties van zeevogels. De telgegevens worden door Sovon verzameld en vervolgens geleverd aan het CBS.

Zie ook de veldwerkhandleiding en de onderzoeksbeschrijving.

Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen

  • Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends
  • Trilateral Monitoring and Assessment Program: trends van vogels in het Waddengebied
  • Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends
  • OSPAR Commission: landelijke trends
    Aviaire Influenza: landelijke trend en verspreiding

Matig sturende meetdoelen

  • Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  • Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  • Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden

Indirecte meetdoelen

  • Ramsar (wetlands): trends per Ramsargebied
  • Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  • African Eurasian Waterbird Agreement: landelijke trends
  • Schadesoorten: landelijke trends
  • Kwaliteit van het agrarisch gebied: landelijke trends
  • Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels
  • Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  • Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  • Invasieve exoten: landelijke trends
Kwaliteitsborging:

Het veldwerk is sterk gestandaardiseerd en staat beschreven in veldhandleiding. Er is een geautomatiseerde controle op fouten en onwaarschijnlijke gegevens. Bij de statistische analyse wordt gecorrigeerd voor mogelijke vertekeningen als gevolg van ontbrekende tellingen.

Gebruikersinformatie:

Voor veel soorten is het meetnet in de tweede helft van de zeventiger jaren begonnen. Het startjaar van de meeste tijdreeksen ligt tussen 1975 en 1986. De veldgegevens zijn alleen bij uitzondering beschikbaar. Deze worden beheerd door Sovon.

Nieuwe resultaten zijn elk jaar in de herfst beschikbaar. Trends en jaarcijfers per soort zijn te vinden op de website van Sovon. Verder zijn er ook jaarcijfers voorhanden met absolute aantallen vogels. Natuurgraadmeters en trends met toelichting zijn voorhanden in het Compendium voor de Leefomgeving, in het jaarlijkse Sovon-watervogelrapport en onder de knop Dataloket.