Watervogels

In het meetprogramma voor watervogels worden doortrekkende en overwinterende watervogels in alle belangrijke waterrijke gebieden in Nederland gevolgd. Ganzen en zwanen worden daarnaast ook gevolgd op pleisterplaatsen (‘ganzengebieden’). Ook worden jaarlijks eiders en zee-eenden geteld in de kustwateren. Er wordt niet gestuurd op het inwinnen van verspreidingsgegevens, maar door de uitgebreidheid van het meetprogramma ontstaat ook een goed beeld van de verspreiding van veel soorten.

Organisatie:

Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.
Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS, terreinbeheerders, provincies, Nederlandse Zeevogelgroep, ecologische bureaus.
Opdrachtgever: Ministerie van LNV, Rijkswaterstaat WVL.

Veldwerkmethode

Het meetprogramma beschikt voor veel soorten over gegevens vanaf 1975 en bestaat uit de volgende onderdelen:

  1.  Integrale maandelijkse tellingen van alle soorten watervogels in alle belangrijkewaterrijke gebieden, waaronder de Rijkswateren en de Natura 2000-/Ramsargebieden. In totaal gaat het om 93 zogenaamde monitoringgebieden, waarvan er 65 Natura 2000-gebied zijn. De tellingen vinden plaats van september–april, maar in een aantal gebieden van juli–juni. In het Waddengebied vindt elk jaar in vijf maanden (vier vaste en één jaarlijks wisselende maand) een gebiedsdekkende telling plaats en daarnaast zijn er maandelijkse tellingen in deelgebieden. Door een opzet met vaste,duidelijk begrensde, telgebieden en vaste teldatums worden dubbeltellingen zoveel mogelijk voorkomen. Het veldwerk wordt overdag uitgevoerd, op het moment waarop watervogels zich veelal in de foerageergebieden ophouden. Langs de kust wordt geteld rond het tijdstip van hoogwater, wanneer de vogels zich verzamelen op de hoogste delen, de zogenaamde hoogwatervluchtplaatsen. Tijdens een telling worden alle watervogels geteld alsmede aan wetlands gebonden roof- en zangvogels. De veldwerkhandleiding en een onderzoeksbeschrijving zijn te vinden op de websites van Sovon en het NEM (zie onder Links). In een aantal gebieden worden de tellingen niet uitgevoerd door vrijwilligers van Sovon, maar door terreinbeheerders (met name van Rijkswaterstaat) of in een enkel geval een provincie (Randmeren en Haringvliet, waar boottellingen worden uitgevoerd door de provincies Flevoland en Zuid-Holland). Vrijwel alle tellingen worden online ingevoerd op het watervogelportal van Sovon.
  2.  In maandelijkse tellingen (september–maart + extra soortspecifieke maanden) worden pleisterplaatsen van ganzen en zwanen geteld in 84 zogenaamde aanvullende ganzengebieden. Samen met de monitoringgebieden worden de ganzen en zwanen daarmee gevolgd in 177 gebieden. De tellingen in de aanvullende ganzengebieden vallen samen met de tellingen in de monitoringgebieden en staan beschreven in de gezamenlijke handleiding (zie boven).
  3. In januari worden zoveel mogelijk alle watergebieden in heel Nederland geteld(midwintertelling) ten behoeve van de International Waterbird Census.
  4. Eiders en zwarte zee-eenden in de Waddenzee en langs de Noordzeekust worden twee keer per jaar geteld in november en januari vanuit een vliegtuig, in zogenaamde zeeeendgebieden.
  5. Enkele soorten die niet goed met de tellingen van monitoringgebieden gevolgd kunnen worden (grutto, kemphaan, kraanvogel, reuzenstern, zwarte stern), worden geheel of gedeeltelijk geteld op slaapplaatsen (zie hoofdstuk 7.6).
  6. Een aantal soorten, waaronder roodkeelduiker, parelduiker en dwergmeeuw, wordt zeer intensief geteld op trektelposten langs de kust. De telgegevens worden via de Nederlandse Zeevogelgroep geleverd aan Sovon.
  7. Zeevogels worden in opdracht van Rijkswaterstaat zes keer per jaar geteld vanuit een vliegtuig door een ecologisch adviesbureau. De tellingen vinden plaats in de maanden augustus, november, januari, februari, april en juni en worden door Sovon verzameld en doorgeleverd aan het CBS.

Zie ook de veldwerkhandleiding en de onderzoeksbeschrijving.

Toepassingen:

Sterk sturende meetdoelen:

  • Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends
  • Trilateral Monitoring and Assessment Program: trends van vogels in het Waddengebied
  • Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends
  • OSPAR Commission: landelijke trends
  • Aviaire Influenza: landelijke trend en verspreiding

Matig sturende meetdoelen:

  • Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  • Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  • Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden

Niet sturende meetdoelen:

  • Ramsar (wetlands): trends per Ramsargebied
  • Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  • African Eurasian Waterbird Agreement: landelijke trends
  • Schadesoorten: landelijke trends
  • Kwaliteit van het agrarisch gebied: landelijke trends
  • Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels
  • Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  • Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  • Invasieve exoten: landelijke trends
Kwaliteitsborging:

Het veldwerk is sterk gestandaardiseerd en staat beschreven in veldhandleiding. Er is een geautomatiseerde controle op fouten en onwaarschijnlijke gegevens. Bij de statistische analyse wordt gecorrigeerd voor mogelijke vertekeningen als gevolg van ontbrekende tellingen.

Gebruikersinformatie:

Voor veel soorten is het meetnet in de tweede helft van de zeventiger jaren begonnen. Het startjaar van de meeste tijdreeksen ligt tussen 1975 en 1986. De veldgegevens zijn alleen bij uitzondering beschikbaar. Deze worden beheerd door Sovon.

Nieuwe resultaten zijn elk jaar in de herfst beschikbaar. Trends en jaarcijfers per soort zijn te vinden op de website van Sovon. Verder zijn er ook jaarcijfers voorhanden met absolute aantallen vogels. Natuurgraadmeters en trends met toelichting zijn voorhanden in het Compendium voor de Leefomgeving, in het jaarlijkse Sovon-watervogelrapport en onder de knop Dataloket.

Sluit Menu