Weekdieren en mariene typische soorten

Het meetprogramma voor weekdieren is gericht op het bepalen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende weekdieren van Bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn op 10 x 10 km-hokniveau. De veldmetingen geven daarnaast een globale indicatie over de aantalsveranderingen op basis van herhaald verspreidingsonderzoek. Het meetprogramma voor mariene typische soorten is gericht op het bepalen van trends van typische soorten bloemdieren, kreeftachtigen, stekelhuidigen, vissen, weekdieren en wormen van enkele mariene habitattypen.

Organisatie:

Coördinatie: Stichting ANEMOON.
Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting ANEMOON, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

Veldwerkmethode

Weekdieren

Het meetprogramma voor weekdieren is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende soorten van Bijlage II, IV en V van de HR op 10 x 10 kmhokniveau en het verkrijgen van een globale indicatie over aantalsveranderingen (op basis van herhaald verspreidingsonderzoek op sublocaties binnen een aantal locaties waar de soorten voorkomen). In de periode 2012–2017 worden alle hokken van het gezamenlijke actuele en potentiële verspreidingsgebied onderzocht op aan-/afwezigheid van de soorten. Sinds 2016 geeft ANEMOON ook jaarlijks een overzicht van de verspreiding op 10 x 10 kmhokniveau van de wijngaardslak, een soort van Bijlage V van de Habitatrichtlijn. Dit overzicht beperkt zich tot de hokken waar de soort 100 jaar of langer voorkomt.In de 10 x 10 km-hokken waaruit het voorkomen van de platte schijfhoren en de zeggekorfslak bekend is uit de periode 2004–2011 wordt op minimaal vijf kansrijke locaties op vijf sublocaties (tot 2014 twee tot zeven sublocaties) de aan-/afwezigheid van de soort bepaald. Dezelfde sublocaties zullen in de volgende rapportageperiode (vanaf 2018) weer geïnventariseerd worden. De verschillen in presentie tussen beide metingen geven een globale indicatie van aantalsveranderingen. Voor de nauwe korfslak worden de aantallen aangetroffen slakjes in strooiselsmonsters op vijf kansrijke locaties per 10 x 10 km-hok bepaald. In de potentiële hokken wordt de aan-/afwezigheid bepaald op maximaal 80 (zeggekorfslak en nauwe korfslak) of 40 locaties (platte schijfhoren) door professionals geassisteerd door vrijwilligers, volgens een gestandaardiseerd protocol. Dit gebeurt door directe determinatie in het veld of door het uitzoeken van uit het veld meegebrachte monsters in het laboratorium.

Er is een handleiding waarin de veldwerkmethode voor weekdieren beschreven wordt, deze is te vinden op de website van Stichting ANEMOON.

Mariene typische soorten

Het meetprogramma voor mariene typische soorten is gericht op het bepalen van trends in aantallen (op basis van gemiddelde abundantieklassen) in de mariene habitattypen H1160, H1110A en H1110B. Het officiële meetdoel voor typische soorten is het bepalen van de RL-status (zie hoofdstuk 2). Dit is voor mariene soorten echter niet haalbaar, omdat dan het hele Nederlands Continentaal Plat onderzocht zou moeten worden. Anderzijds sluit de trend per habitattype veel beter aan bij het doel waarvoor typische soorten geselecteerd zijn, namelijk als indicatie voor de kwaliteit van het habitattype. In de praktijk wordt de RL-status van typische soorten bij het samenstellen van de HR-rapportage ook bij nietmariene soorten nauwelijks gebruikt. De typische soorten van H1160 (Grote baaien) worden gevolgd in het enige gebied in Nederland waar dit type voorkomt, de Oosterschelde, in het ANEMOON-project Monitoringproject OnderwaterOever (MOO). 

De typische soorten van zowel H1110A (Permanent overstroomde zandbanken, getijdengebied) als H1110B (Permanent overstroomde zandbanken, Noordzee-kustzone) worden uitsluitend gevolgd in de Noordzeekustzone, omdat het niet mogelijk is om in het waddengebied vrijwilligers te mobiliseren. Voor habitattype H1110B wordt gebruik gemaakt van het Strandaanspoelsel Monitoring Project (SMP). Voor zowel MOO als SMP wordt door ANEMOON gewerkt aan het verder uitbreiden van deze meetnetten zowel wat betreft het aantal waarnemers als het aantal monitoring-locaties. Voor de habitattypen H1130 (Estuaria), H1140 (Slik- en Zandplaten) en H1170 (Riffen van open zee) kan Stichting ANEMOON geen betrouwbare trends van typische soorten bepalen.

De link naar het onderzoeksrapport voor de Grote baaien.

De link naar het onderzoeksrapport voor de Noordzeekustzone.

Toepassingen:

Sterk sturende meetdoelen

  • Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends
  • Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten
  • Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage V

Matig sturende meetdoelen

  • Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  • Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)

Niet sturende meetdoelen

  • Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
Kwaliteitsborging:

De standaardisatie van het veldwerk staat beschreven in onderzoeksrapporten. Er is een geautomatiseerde controle op fouten en onwaarschijnlijke gegevens. Bij de statistische analyse wordt gecorrigeerd voor mogelijke vertekeningen als gevolg van ontbrekende tellingen, scheve verdeling van de waarnemersinspanning over seizoenen en regio’s.

Gebruikersinformatie:

Het meetprogramma voor weekdieren van de habitatrichtlijn loopt vanaf 2004. De verzamelde gegevens worden opgeslagen in de NDFF. Het meetprogramma voor typische soorten loopt vanaf 1994.

Contact:

De mogelijkheden om trends in verspreiding van de drie Habitatrichtlijnsoorten te berekenen en publiceren worden onderzocht.
• Stichting ANEMOON
• Centraal Bureau voor de Statistiek

Sluit Menu