Zoetwatervissen

Middels het meetprogramma voor zoetwatervissen van het NEM worden visgegevens uit alle belangrijke (zoet) waterrijke gebieden van Nederland bij elkaar gebracht. Er wordt gestuurd op het inwinnen van verspreidingsgegevens; voor veel soorten zijn verspreidingsgegevens beschikbaar vanaf 1990.

Organisatie:

Coördinatie: Stichting RAVON.
Uitvoering: Vrijwilligers, RAVON, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

Veldwerkmethode

Visgegevens worden met verschillende methoden (zoals schepnet, elektrisch schepnet, zegen, kuil, fuik, hengel en eDNA) in verschillende delen van het watersysteem en door verschillende organisaties verzameld: Rijkswaterstaat (grote rivieren, kanalen en meren), de waterschappen (regionale wateren) en hengelaars (sportvisserijwateren). Deze gegevens en gegevens van adviesbureaus en nog wat kleinere bronnen, worden bijeengebracht door RAVON. Toch zijn er nog wateren en regio's die niet goed onderzocht zijn op het voorkomen van de soorten uit het meetprogramma. Om een goede landelijke dekking te verkrijgen worden die gebieden door vrijwilligers middels specifieke methoden (schepnet, zaklamp) geïnventariseerd. De coördinatie hiervan is in handen van RAVON. Een beschrijving van de werkwijze per soort is hier te vinden op de website van RAVON.

Toepassingen:

Sterk sturende meetdoelen:

  • Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage II en IV.
  • Habitatrichtlijn: verspreiding van soorten van Bijlage II, IV en V.
  • Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.

Matig sturende meetdoelen:

  • Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied.
  • Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied.
  • Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  • Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten).
  • Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten.

Niet sturende meetdoelen:

  • Convention on Biological Diversity: landelijke trends.
  • Invasieve exoten: landelijke trends.
Kwaliteitsborging:

De standaardisatie van het veldwerk is voorgeschreven in een veldhandleiding (zie link hierboven). Voor de bittervoorn, kleine modderkruiper, grote modderkruiper en rivierdonderpad zijn betrouwbare trends in verspreiding (landelijk en provinciaal) berekend op basis van herhaalde tellingen mbv. trefkansmodellen. Ook voor typische soorten en overige vissoorten zijn betrouwbare trendschattingen berekend (landelijk en provinciaal). In de berekeningen is gecorrigeerd voor verschillen in trefkans als gevolg van de gebruikte vismethode.

Gebruikersinformatie:

Het oorspronkelijke meetprogramma voor vissen was gericht op het bepalen van de verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau. Dit programma is omgevormd naar een programma dat gericht is op het bepalen van trends in verspreiding van soorten op kilometerhokniveau. Deze trend is een indicatie voor de trend in de populatiegrootte. Het direct meten van landelijke aantalsveranderingen en aantalsveranderingen op gebiedsniveau lijkt niet kostenefficiënt vanwege de grote variatie in aantallen gevangen vissen op een locatie per bezoek met een schepnet.

Voor de beekdonderpad zijn geen trendschattingen voorhanden doordat het voorkomen van deze soort pas in 2007 is vastgesteld en het verzamelen van gegevens van deze soort pas kort loopt. Daarnaast is verspreiding van deze soort te beperkt om een trend in verspreiding te bepalen, dit geldt ook voor de rivierprik.

Contact:
Sluit Menu