Landzoogdieren

Algemeen
Onder de noemer landzoogdieren wordt op deze pagina de monitoring van terrestrische zoogdieren besproken, met uitzondering van de vleermuizen. (zie Vleermuizen). Zeezoogdieren vallen (nog) niet onder het NEM; waarschijnlijk is dit wel het geval vanaf de rapportageperiode over 2021. Voor verschillende beschermde inheemse zoogdiersoorten dienen de aantalsontwikkelingen en/of de ontwikkelingen in de verspreiding van de soorten te worden gevolgd. Op grond van Europese regelgeving omtrent invasieve exoten is ook informatie nodig over enkele zoogdiersoorten die van nature niet in ons land voorkomen maar door menselijk handelen toch in Nederland terecht zijn gekomen. Buiten de meetprogramma’s van het NEM om wordt voor enkele andere zoogdiersoorten nog aanvullende informatie verzameld. Dit betreft met name hamster, eikelmuis en wolf. De kwaliteit van de informatievoorziening voor die soorten wordt hier niet besproken.

Voor alle deelprogramma’s geldt:
Coördinatie: Zoogdiervereniging (ZV).
Uitvoering: Vrijwilligers, ZV, Sovon, CBS, duinbeheerders, waterschappen.
Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

Gegevens

Aantalsmonitoring
De aantalsmonitoring is gericht op het verkrijgen van trends in aantallen van de soorten die onder de hiervoor genoemde meetdoelen vallen. Binnen het meetprogramma
landzoogdieren zijn er drie meetonderdelen voor aantalsmonitoring.

Dagactieve zoogdieren worden tegelijk met broedvogels geteld door vrijwilligers van Sovon in een deel van de telgebieden van het broedvogelmeetprogramma, onderdelen BMP (in buitengebieden) en MUS (stedelijk gebied). Dit betreft tellingen in ongeveer tweeduizend vaste meetlocaties van circa 50-200 hectare groot. Deze meetlocaties worden in het voorjaar meerdere keren bezocht. Voor konijn, haas, ree, vos, eekhoorn, egel en muskusrat resulteren deze tellingen in voldoende betrouwbare aantalstrends. Voor andere soorten zijn de gegevens alleen geschikt voor het in kaart brengen van de verspreiding.

Voor konijnen zijn er tevens tellingen in de duinen, uitgevoerd door terreinbeheerders. Tijdens inspectierondes in de avonduren in voor- en najaar worden vanuit de auto op circa
250 vaste routes konijnen geteld die zichtbaar zijn in het licht van de koplampen.

Voor de hazelmuis zijn er tellingen van de nestjes die deze dieren in de zomer en het najaar maken in de randen van structuurrijke bossen van Zuid-Limburg. Deze tellingen worden uitgevoerd door vrijwilligers van de Zoogdiervereniging in ruim 50 vaste bosrand-transecten. Daarmee wordt het gehele bekende verspreidingsgebied van deze soort geïnventariseerd.

Verspreidingsonderzoek
Het verspreidingsonderzoek is gericht op het vaststellen van trends in de aan- of afwezigheid van de soorten op km-hokniveau. Het actuele leefgebied van de HR soorten dient
gerapporteerd te worden op het niveau van 10 x 10 km. Het vaststellen van de afwezigheid van een soort in een 10 x 10 km-hok is alleen mogelijk wanneer een gestandaardiseerd protocol is gevolgd. Ook voor verspreidingsonderzoek zijn er drie meetonderdelen. De verspreiding van (spits)muizen wordt onderzocht met behulp van braakballen van uilen. Daarbij wordt vooral gebruik gemaakt van braakballen van kerkuilen, omdat deze in het gehele land voorkomen en geen duidelijke voorkeur vertonen voor bepaalde muizensoorten. Braakballen worden op een groot aantal locaties in het land door vrijwilligers van uilenwerkgroepen verzameld, waarna vrijwilligers van de Uilenwerkgroepen en/of Zoogdiervereniging deze pluizen en de in de braakballen aanwezige schedelresten tot op soort determineren.

Voor de verspreiding van de Noordse woelmuis zijn in de provincies Noord- en Zuid-Holland, Friesland en Zeeland woelmuizenkeutels verzameld, waarna op basis van DNA-onderzoek daaraan is bepaald of de keutels afkomstig zijn van de Noordse woelmuis. Dit onderzoek vindt jaarlijks plaats in Noord-Holland, Friesland en Zeeland in het kader van een provinciale monitoring gericht op de (verspreidings)trend in Natura 2000-gebieden. In Zuid-Holland wordt om de paar jaar de verspreiding in beeld gebracht. Voor de provincie Utrecht is een provinciale monitoring vergelijkbaar met Noord-Holland, Friesland en Zeeland in voorbereiding. Alleen in Brabant wordt geen monitoring met behulp van DNA-onderzoek naar de aanwezigheid van de soort uitgevoerd. Deze provinciale monitoring projecten maken overigens (nog) geen deel uit van het NEM. De verspreiding van otter en bever wordt onderzocht door vrijwilligers van de otter- en beverwerkgroep CaLutra (onderdeel van de Zoogdiervereniging) in samenwerking met de waterschappen. Medewerkers van waterschappen geven eens per jaar de actuele verspreiding van de bever door aan de Zoogdiervereniging, en melden het ook als er voor het eerst in een gebied ottersporen (uitwerpselen e.d.) worden aangetroffen. Waarnemers van CaLutra onderzoeken vervolgens de locatie nader op de aanwezigheid van de otter. De verspreiding van bunzing en boommarter wordt sinds 2016 onderzocht met behulp van cameravallen. De cameravallen worden steeds een aantal weken op potentieel voor deze soorten geschikte locaties geplaatst. Dankzij sensoren worden automatisch foto’s gemaakt van passerende dieren, niet alleen van bunzing en boommarter, maar ook van andere soorten. Ook alle overige waarnemingen uit de NDFF en eventuele andere data-bronnen worden gebruikt bij het bepalen van de verspreiding van deze soorten.

Nadere informatie over de veldwerkmethoden is te vinden in veldwerkhandleidingen.

Invasieve exoten
Op de Unielijst van invasieve exoten staan elf zoogdiersoorten: muskusrat, beverrat, muntjak, wasbeer, wasbeerhond, de Indische mangoeste, rode neusbeer en de drie eekhoornsoorten Pallas’ eekhoorn, Amerikaanse voseekhoorn en Siberische grondeekhoorn. Deze soorten komen niet allemaal in Nederland voor. Het onderzoek is dan ook
primair gericht op de vijf eerstgenoemde soorten, op basis van de verwachting dat het voor de overige zes soorten niet nodig is zolang de soorten niet voorkomen. Het onderzoek is met een pilot in 2018 gestart en wordt uitgevoerd in gebieden waar de kans op voorkomen van deze soorten het grootst is. Voor wasbeer en wasbeerhond worden cameravallen geplaatst, voor muntjak worden transecten gereden met warmtebeeldcamera’s en voor muskusrat en beverrat worden de vangsten door de waterschappen opgevraagd. Ook worden meldingen van deze soorten via Waarneming.nl en Telmee.nl in de gaten gehouden om eventuele nieuwe vindplaatsen te achterhalen. In het geval van de muskusrat, kunnen met de BMP-tellingen ook trends worden berekend.

Gegevensverwerking
Bij de verwerking van de gegevens wordt gecontroleerd op consistentie, volledigheid, betrouwbaarheid, representativiteit en mogelijke vertekening daardoor. Bij de dagactieve
zoogdieren wordt gecorrigeerd voor mogelijke vertekening als gevolg van over- of onderbemonstering van bepaalde fysisch geografische regio’s. Aantalsgegevens worden jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort berekend worden met behulp van het statistisch programma TRIM. De belangrijkste jaarcijfers en trends
worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Trendgegevens van de dagactieve zoogdieren zijn beschikbaar vanaf 1994 (vos, ree, egel, muskusrat), 1996 (eekhoorn) of 1997 (haas en konijn). Voor de duinkonijnen zijn er trends vanaf 1984 en voor de hazelmuis vanaf 1992.

Het verspreidingsonderzoek is gericht op het vaststellen van trends in de aan- of afwezigheid van de soorten op uurhok-niveau (5 x 5 km). Tevens worden de inventarisatiegegevens van de HR bijlage II & IV-soorten verwerkt tot verspreidingskaarten per HR-verslagperiode op 10 x 10 km-hokniveau. Ook voor invasieve exoten
wordt gestreefd naar verspreidingskaarten op 10 x 10 km. Verspreidingstrends worden veelal berekend met behulp van occupancy-modellen, waarbij – voor zover mogelijk – rekening wordt gehouden met trefkansen en waarnemersinspanning. Dergelijke trends zijn beschikbaar voor twaalf soorten muizen, waaronder Noordse woelmuis,
vanaf 1995, voor otter vanaf 2003 en voor de bever vanaf 1993. Voor bunzing en boommarter zijn nog geen verspreidingstrends beschikbaar. Voor Noordse woelmuis is de verwachting dat met eDNA-onderzoek over enige jaren verspreidingstrends mogelijk zijn.

Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen

  • Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage II, IV en V.
  • Habitatrichtlijn: verspreiding van soorten van Bijlage II, IV en V.

Matig sturende meetdoelen

Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
Invasieve exoten: landelijke trends

    Indirecte meetdoelen

    Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
    Convention on Biological Diversity: landelijke trends
    Schadesoorten: landelijke trends
    Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
    Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.

      Kwaliteitsborging:

      Bij de verwerking van de gegevens wordt gecontroleerd op consistentie, volledigheid, betrouwbaarheid en mogelijke vertekening. Bij de dagactieve zoogdieren wordt gecorrigeerd voor mogelijke vertekening als gevolg van over- of onderbemonstering van bepaalde fysisch geografische regio’s.